Een paar mooie nazomerdagen in oktober. Herfstvakantie. Winkelende mensen strijken met een broodje in de hand neer op een bankje in het park. Kinderen spelen tikkertje op het plein naast hun gesloten basisschool. Een buurtbewoner wandelt met zijn hond langs een grasveld. Reizigers verzamelen zich voor leuke uitstapjes op de perrons van het centraal station. Een stel jongeren slaan in alle vroegte een bierflesje kapot bij het plaveisel in hun buurt. Het leven speelt zich op deze vrije, zonnige dagen grotendeels buiten af, op straat.
De geschiedenis verdicht zich op plaatsen, die we in alle vrijheid kunnen aandoen, om er vervolgens weer te vertrekken. Bovenstaand straatbeeld is illustratief. Van de verhalen van degenen die deze plaatsen ooit bevolkten, kunnen we beleefd, met respect of met een mengeling van afschuw en ontroering kennis nemen – om ze vervolgens te laten voor wat ze zijn en over te gaan tot de orde van de dag. Waar bovengenoemde vijf plaatsen in de stad ons aan herinneren? Een achttienjarig joods meisje dat een dagboek bijhield in het concentratiekamp en schreef aan haar vriend met wie zij de liefde voor de natuur deelde, een spelend jongetje wiens leven niet langer duurde dan de vijf oorlogsjaren, zesenzeventig jonge militairen die ver van huis sneuvelden op Nederlands grondgebied, een groot aantal joodse stadsgenoten die noodgedwongen bagage verzamelden voor de busreis naar hun laatste bestemming, een verzetsstrijdster die drie ondergedoken geallieerde piloten achter haar huis vermoord zag worden en haar strijd tegen de bezetter bekocht met eigen leven. Indrukwekkend? De Amerikaanse cultuurwetenschapster Astrid Erll suggereert dat de herinnering aan het verleden een vormeloze massa dreigt te worden van intrigerende, maar uiteindelijk betekenisloze elementen, zonder vitale band met het heden.
Dat we tot de alledaagse orde terug kunnen keren, is natuurlijk goed. Het zou vreemd zijn om het vrijblijvend betreden van herinneringsplaatsen te betreuren. Datgene waar de slachtoffers destijds naar verlangden, hebben wij in ons bezit. De huidige bezoekers van het Helga Deen park in de Willem II- straat in Tilburg lossen Helga’s onvervulde verlangen in om eens weer in vrijheid te verkeren. Waar het leven van René Klessens al spelend op straat eindigde, gaat dat van de kinderen op de speelplaats rondom zijn gedachtenismonument op het Sint-Willibrordplein verder. Wie langs het Britse ereveld loopt aan de Gilzerbaan, koestert een levendige herinnering aan de dag van gisteren, doorgebracht met familie of vrienden. De reizigers die zich in haast naar het centraal station begeven maken de onvoltooide reis van onze joodse stadsgenoten af: zij vertrekken én komen weer thuis. Jongeren drinken in de Coba Pulskenslaan het biertje waar de geallieerde piloten na de bevrijding graag de heldendaad van hun verzetsstrijdster mee beklonken hadden.
Waar het leven van de oorlogsslachtoffers vroegtijdig beëindigd werd, leven wij voort. Maar in de terloopsheid waarmee we hun herinneringsplaatsen betreden, gaat aan ons voorbij hoe zij tientallen jaren eerder met grote inspanning probeerden hun leven in abnormale omstandigheden zo normaal mogelijk vorm te geven. We worden geconfronteerd met plaatsen die niet alleen ontdaan zijn van de wanordelijke sporen die hun concrete leven achterliet – pen en papier, een fiets, een uniform, een koffer of tas, een aanrecht vol vaatwas –, maar ook van de mensen die we op deze plaatsen in gedachtenis houden. Hoe is het dan nog mogelijk een verbinding aan te gaan met de geschiedenis van hen waarmee deze plaatsen verbonden zijn, als elk concreet spoor van hen ontbreekt? Hoe kunnen wij het gebroken bestaan van deze mensen, hun noodgedwongen vertrek uit het alledaagse stadse leven in uitzonderlijke omstandigheden, ervaren als een appèl hen in onze gedachtenis niet te verlaten?
Lees verder →
Geplaatst in Maatschappij